Vaderlandse Geschiedenis

Een canon van het Nederlands verleden

Hoe goed kennen we onze vaderlandse geschiedenis ?
Hebben we een overzicht over de gebeurtenissen die tot het heden aanleiding hebben gegeven ?
Een opfrisser of een naslagwerkje, zo zou je deze canon kunnen noemen die op 30 oktober 2004 verscheen
in NRC-Handelsblad en die wij in afleveringen in de nummers van de Hollandse Nieuwe hebben gepubliceerd.
en nu zijn samengebracht

Een canon van het Nederlands verleden

Door Jan Bank en Piet de Rooy

Inleiding

Iedere tijd ontwerpt een eigen versie van het verleden. Vroeger gebeurde dat bij het kampvuur.
Later werd dat op scholen meeslepend verteld. Nu zou televisie het voor de hand liggende medium zijn.
Alleen, dat gebeurt niet. Daar schijnt de gedachte te heersen dat geschiedenis eigenlijk te saai is
om een aardig kijkerspubliek te trekken.
Daarom krijgt het de vorm van een gezelschapsspelletje, zoals de verkiezing van 'de grootste Nederlander aller tijden'.
Het is de vraag op grond van welke kennis de kijkers straks deze historische 'idol' kiezen.*

Gezien de verbrokkeling van het geschiedenisonderwijs kan het hier moeilijk
om veel meer gaan dan bliksemschichten in het donker.
Dat er weinig belangstelling zou zijn voor serieuze geschiedenis is een merkwaardig vooroordeel in 'Hilversum',
dat ook heerst in 'Den Haag' . Alleen al de opmerkelijk hoge oplagen van een auteur als Geert Mak zouden
op het tegendeel kunnen wijzen.
Weinig behulpzaam zijn pleidooien van al diegenen die, bezield van de meest nobele gedachten,
beweren dat er geen historisch besef meer bestaat.
Daarbij blijken zij meestal te bedoelen dat niemand meer een proefwerk kan maken dat sommigen van ons nog wel kennen
van de middelbare school
(althans: van vóór de Mammoetwet): 'wie deed wat, wanneer en waarom?'
Met hoon duikt telkens weer het beruchte proefwerk van het Historisch Nieuwsblad op, waarin Kamerleden
op dit soort vragen een dikke onvoldoende scoorden.
Een herhaling onlangs onder 'gewone mensen' leverde een nog droeviger beeld op.

Naast onwil heerst ook onzekerheid: welk verhaal valt hier te vertellen?
De schuchterheid over het historisch verhaal is vooral een gevolg van veranderingen in de samenleving.
Nederland is 'ontzuild'. Kerken en politieke bewegingen hebben aan overtuigingskracht ingeboet.
Het (emancipatie-)verleden van de eigen bevolkingsgroep is minder bruikbaar geworden.
Bijpassende rituelen zijn vervaagd. De geschiedenis is minder vanzelfsprekend.
Niet langer zijn hieraan wijze lessen en aansporingen te ontlenen.
Historische kennis is verschraald tot eruditie.

Als we weer historisch besef willen kweken, dan gaat het niet zozeer om de weetjes: de jaartallen van rampen,
vorsten en ontdekkingen - al is daar op zich helemaal niets mis mee.
Het gaat om de gedachte dat het heden niet goed te begrijpen valt zonder enig inzicht in de ontwikkeling tot dat heden.
Anders gezegd, het gaat om het vermijden van het misverstand dat de wereld een schouwtoneel is waarvoor
iedere dag het doek opnieuw wordt opgehaald.
Tegen deze ambitie klinken doorgaans twee bezwaren. Het eerste is dat dit allemaal voortvloeit uit nostalgie.
Oude schoolmeesters zouden een achterhaald verlangen koesteren naar de overzichtelijkheid van de 'nationalistische
en etnocentrische geschiedschrijving van onze blanke voorvaderen'.
Dit klinkt al erg genoeg, maar gewoonlijk volgt dan nog dat we nu eenmaal in een 'postmoderne wereld' leven.
De fragmentatie van mens en samenleving is niet langer in een consistent verhaal te vatten.
'Laat duizend bloemen bloeien' en het komt vanzelf wel goed.

Het tweede bezwaar is dat historisch besef op zichzelf, als een manier om naar de werkelijkheid te kijken,
een tijdelijk verschijnsel is. Het is aan het eind van de achttiende eeuw opgekomen, beleefde zijn bloeitijd
in de negentiende eeuw en zal nu ten onder gaan.
We leven in een 'posthistorische wereld'. Dit bezwaar versterkt de gedachte - die ook bij enkele belangrijke historici leeft -
dat de strijd al is verloren en dat het geschiedenisonderwijs maar beter helemaal kan worden afgeschaft.
Belangstelling voor geschiedenis is op z'n best een oude-mannenkwaal.

En zo mogen we kiezen uit tuchteloosheid of vruchteloosheid. Het gevolg van deze verwarring is de opmerkelijke
dictatuur van het nu en hier, het zogenaamde presentisme.
Bijna tien jaar geleden merkte Rudy Kousbroek al eens op dat in Nederland, in tegenstelling tot allerlei andere landen,
vooral de gedachte leeft dat weinig uit het verleden nog interessant of waardevol kan zijn:
,,Dat is wat in dit land dat eigenaardige gevoel geeft dat er een dimensie ontbreekt.''
In het openbare debat is de continuïteit met het verleden nagenoeg afwezig.

Een dergelijke continuïteit wordt doorgaans gevonden in een canon: een geheel aan kennis en inzichten,
aan ordening en interpretatie van het verleden.
Daaraan dienen we meteen toe te voegen dat een dergelijk geheel niet onveranderlijk is.
Integendeel, een canon mag en kan niet worden gecanoniseerd. Essentieel is juist dat deze voortdurend onderwerp is van reflectie.
Wie en wat verdienen een plek in de canon en waarom?
Michaël Zeeman zei hierover eens: ,,De canon leert geen vaststaande grootheden, de canon onderwijst lezen,
kijken en luisteren, dat is kritisch oordelen.''
De canon nodigt uit tot kritiek, tot aanvulling en in ieder geval tot gebruik.

We hebben geprobeerd een beknopte canon te formuleren voor de 'Nederlandse' geschiedenis.
Bij de samenstelling hebben drie criteria een rol gespeeld.
Hoe heeft het huidige Nederland zich gevormd?
Welk politiek-bestuurlijk systeem was in dit gebied overheersend?
Welke ontwikkelingen hebben de Nederlandse samenleving sterk hebben beïnvloed?

Aan deze proeve van een canon zouden we een motto willen meegeven dat aan Willem van Oranje is toegeschreven:
'Hoop is niet vereist om ergens aan te beginnen, succes niet nodig om te volharden.'

Dr. J.Th.M. Bank is hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universitiet Leiden.
Dr. P. de Rooy is hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

* Noot van de redactie:
Onlangs is in een rechtstreekse t.v. uitzending Pim Fortuyn tot 'Grootste Nedserlander aller tijden' verkozen.


Tijd van monniken en ridders

500-1000

Berichten komen nu niet langer van Romeinse schrijvers, maar van christelijke monniken.
De Lage Landen worden 'gekerstend'. De Angelsaksische (Engelse) bisschop Bonifatius is de beroemdste missionaris,
vooral omdat gewelddadige Friezen hem in 754 bij Dokkum vermoorden bij een uit de hand gelopen rooftocht.
Het bloed der martelaren dient doorgaans als inkt voor de geschiedschrijver. Eveneens bekend is de
Angelsaksische missionaris Willibrord, die bisschop wordt in Utrecht en daarmee deze stad een centrumfunctie in de Lage Landen geeft.

Langzaam komt er weer wat meer orde en structuur, vooral doordat in de 'Frankische' (Franse) gebieden
een nieuw rijk ontstaat. Dit rijk zal zich over grote delen van Europa uitbreiden, vooral onder Karel de Grote.
Deze wordt in 800 zelfs als keizer in Rome gekroond, waardoor de glans van het vroegere Romeinse Rijk
op hem afstraalt. Zijn enorme keizerrijk valt al snel weer uit elkaar.

In de Lage Landen begint men met allerlei grote werken om het water te beheersen: dijken, sloten en
droogleggingen. De landbouw kan zich daardoor uitbreiden. Het legt de basis voor gemeenschappelijk
waterbeheer als een vroege vorm van 'democratie'. Hierin wordt vaak het begin gezien van het 'poldermodel'.

Europa is in die tijd een lappendeken van min of meer zelfstandige gebieden, bestuurd door adellijke lieden
als graven en hertogen en soms door een bisschop. In het algemeen geldt een Frankisch bestuursmodel,
dat de kiem legt voor de standenmaatschappij, waarin adel ('ridders'), geestelijkheid en boeren/burgers
verschillende rechten en plichten hebben. Het graafschap Holland wordt steeds belangrijker.
Zee- en riviervaart brengen geld en dus macht voor gebiedsuitbreiding.
Regelmatig zijn er grote conflicten tussen graafschappen, hertogdommen en bisdommen.
Geld en geweld bepalen nu eenmaal vaak de loop van de geschiedenis.

Tijd van steden en staten

1000-1500

De rijkste en machtigste gebieden liggen aanvankelijk in de zuidelijke Lage Landen, in Vlaanderen en Brabant.
Ze verwerven welvaart en aanzien door handel op Engeland en Italië.
De steden in de noordelijke Nederlanden gaan vanaf 1200 ook groeien. Diverse steden raken betrokken
bij een internationaal netwerk van handelssteden, de Hanze, die de kuststeden van de Oostzee en Noordzee verbindt.
Vanaf 1300 gaat het steeds beter met de economie van het gewest Holland. De steden worden hier groter en rijker, met Amsterdam voorop.
In deze steden komen steeds meer 'burgers' (kooplieden en ambachtslieden) die burgerrecht verwerven,
waardoor ze kunnen toetreden tot een gilde (een organisatie van beroepsgenoten).
De steden zijn langzamerhand machtig genoeg om zich vrijer op te stellen tegenover adel en vorst.
Vandaar het gezegde 'stadslucht maakt vrij'.

De graven, hertogen en bisschoppen in de Lage Landen krijgen omstreeks 1400 te maken met de hertogen
van Bourgondië, uit Oost-Frankrijk. Stap voor stap brengen zij verschillende 'Nederlandse' gewesten
onder hun gezag, deels door handige huwelijken te sluiten, deels door de gebieden te veroveren.

Vanaf 1464 bespreken de noordelijke 'Bourgondische' gewesten hun gezamenlijke belangen in de 'Staten-Generaal'.
Omstreeks 1540 heeft Karel V, als erfgenaam van zowel de Bourgondische hertogen als de Habsburgse
(Duitse) keizers, zeventien adellijke titels in de Lage Landen in handen.
Deze Karel V, koning en keizer over grote delen van Europa, behandelt de Nederlanden min of meer als
een eenheid, los van zijn 'Duitse' gebieden. Hoewel het allemaal heel anders had kunnen lopen,
ligt hier toch het begin van een staat die ruwweg het gebied bestrijkt van het huidige België en Nederland.

1500-1600

In 1555 doet keizer Karel V afstand van de troon. Zijn opvolger, zoon Filips II, bestuurt vanuit Spanje
een enorm rijk, met ook grote gebieden in Italië en de Lage Landen en in Midden- en Zuid-Amerika.
Filips is voortdurend in oorlog met de Turken, de Fransen en de Engelsen.
Daarnaast krijgt hij te maken met de opkomst van religieuze protestbewegingen. Volgens deze 'protestanten'
is de rooms-katholieke kerk in de ban geraakt van corruptie en machtswellust.

In de Noordelijke Nederlanden begint de Reformatie (hervorming) van het christelijk geloof bij monniken,
'broeders des gemenen levens', in Overijssel die een 'Moderne Devotie' van soberheid en eenvoud prediken.
In steeds fellere conflicten onder christenen bepleit de Rotterdamse monnik Desiderius Erasmus,
om zijn geleerdheid in heel Europa vermaard, verdraagzaamheid en milde ironie.
De eerste protestanten zijn 'doopsgezinden', die de bijbel aandachtig lezen en zich laten dopen na
een persoonlijke geloofsbelijdenis.
De belangrijkste hervorming komt echter opzetten vanuit Vlaanderen. Die is geïnspireerd door Johannes Calvijn
uit Genève, die de nadruk legt op de directe band tussen God en gelovige, wat wil zeggen dat er geen
gewijde priester meer nodig is als onmisbare bemiddelaar.
Calvinistische predikanten zullen zich in een Hervormde Kerk verenigen.

Als streng katholiek is Filips II fel tegen deze 'ketters', die in 1566 in opgewonden geloofsijver
allerlei kerken bestormen en daar de beelden kapotslaan in een Beeldenstorm.
Filips laat hard terugslaan. Hij stuurt een Spaanse legeraanvoerder, de Hertog van Alva, naar de
Lage Landen om de bewoners tot gehoorzaamheid aan koning en kerk te dwingen.
Alva kent weinig pardon. Honderden opstandige protestanten worden ter dood veroordeeld.
De belastingen gaan met tien procent omhoog (de 'tiende penning'). Dit verergert de onrust,
die langzaam overgaat in een 'Opstand', die later de naam Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) krijgt.
Omdat Filips II zijn aandacht en geld over zoveel gebieden moet verdelen, lukt het hem niet de Opstand' te ondedrukken.

De rijkste en machtigste edelman in de Nederlanden, prins Willem van Oranje, ontwikkelt zich tegen wil
en dank tot leider van de opstandelingen. Daarmee begint de nauwe band tussen de Oranje-dynastie en Nederland.
Willem van Oranje leidt weliswaar de strijd tegen de 'Koning van Hispanje', maar hij probeert ook verzoenend
op te treden. Hij is tegen religieuze scherpslijperij, zowel van katholieken als van protestanten.
Het eerste succes in de Opstand komt in 1572 met de verovering van Den Briel door Watergeuzen,
een zeelegertje van gevluchte protestantse edelen en piraten.

In 1579 verenigen zeven noordelijke gewesten zich op aandrang van Holland tot een Unie van Utrecht,
om zich te verdedigen tegen de Spaanse troepen. De tekst van dit unieverdrag valt te beschouwen als de
eerste grondwet van de noordelijke Nederlanden.
De zuidelijke gewesten voelen meer voor een verzoening met Filips II.
Hier tekent zich de latere breuk af tussen 'Nederland' en 'België'.

De Staten-Generaal van de zeven gewesten zeggen in 1581 de gehoorzaamheid aan de Spaanse koning op,
in een Plakkaat van Verlatinghe.
Dit leidt ertoe dat Filips een prijs zet op het hoofd van Willem van Oranje.
Deze wordt in 1584 in Delft vermoord. Sindsdien laten overleden Oranjes zich in een Delftse grafkelder bijzetten.
De moord op Willem van Oranje kan de onafhankelijkheid van de noordelijke Nederlanden echter niet
meer tegenhouden. De kracht van dit nieuwe land blijkt uit een geweldige expansie van de handelsvloot
naar verre gebieden. Beroemd is de tocht van twee Hollandse schepen die proberen 'Indië' te bereiken
via de Poolzee. Na een barre overwintering op Nova Zembla, in het 'Behouden Huys' (1596/1597),
keert slechts een handjevol ontdekkingsreizers heelhuids terug.
Maar de expansiedrift blijft. De jacht op koloniën in Oost en West is geopend.

Tijd van regenten en vorsten

1600-1700

In 1648 sluiten Spanje en 'de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden', ruwweg het gebied van het
huidige Nederland, de Vrede van Munster. De Republiek krijgt definitief erkenning als zelfstandig land.
In deze Republiek speelt de Gereformeerde Kerk al decennia een belangrijke rol. In 1618 en 1619 stelt deze kerk,
in opdracht van de Staten-Generaal, op de Synode van Dordrecht de inhoud van het 'ware geloof' vast,
in een belijdenis die alle protestanten moeten accepteren.
Hier valt ook het besluit voor een officiele vertaling van de bijbel, de Statenbijbel,
die de gelovige in staat stelt zelf de bijbel te lezen. Deze vertaling is van grote invloed
geweest op de ontwikkeling van de Nederlandse spreek- en schrijftaal.

De nieuwe bestuurders handhaven 'gewetensvrijheid', wat betekent dat zij ook andere geloofsovertuigingen
toelaten. Dat moet ook wel, want aanvankelijk was ongeveer de helft van de bevolking nog katholiek.
Hierdoor komt de Republiek in Europa als zeer tolerant bekend te staan - sindsdien beschouwen
Nederlanders dit als een nationale deugd. In de Republiek verschijnen veel boeken die elders verboden zijn,
van filosofie tot pornografie. Daarnaast is het land opvallend rijk en daardoor machtig: met geld
zijn legers in te huren en vloten uit te rusten.
De Republiek kan daardoor een belangrijke rol in Europa spelen.

De rijkdom neemt nu zelfs snel toe. De economie groeit krachtig, vooral ook door de ontwikkeling
van de handel op Azië, langs de zuidelijke route, om Afrika heen. In 1602 wordt een speciale onderneming
opgericht, de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), met kantoren in Kaapstad, Decima (in Japan),
Sri Lanka en Indonesië. De handel in 'specerijen' levert veel geld op.
Later wordt ook een West-Indische Compagnie (WIC) gesticht, die negerslaven uit West-Afrika
naar Midden-Amerika laat vervoeren om te werken op suikerplantages.
De wortels van honderdduizenden huidige Nederlanders liggen daardoor in 'Oost-Indië' (Indonesië)
en 'West-Indië' (Suriname, Antillen).

In de 17de eeuw floreert ook de cultuur. Dankzij de opdrachten van rijke burgers komt de schilderkunst
tot grote bloei. Werken van Hollandse meesters als Rembrandt van Rijn en Johannes Vermeer trekken nog
altijd drommen kunstliefhebbers uit de hele wereld. Ook de wetenschap ontwikkelt zich snel,
vooral als die nuttig is, zoals de lenzen die Antonie van Leeuwenhoek slijpt voor microscopen.
Vanaf die tijd komt Nederland bekend te staan als een land van molens, die graan malen, grote
meren leegscheppen, hout zagen en zaden uitpersen. De mechanisatie van de economie neemt hiermee een aanvang.

Dankzij deze veelzijdige bloei in economie en cultuur gaat deze periode de geschiedenis in als de Gouden Eeuw.
Opvallend is dat Nederland in die tijd geen koning heeft, terwijl in allerlei grote Europese landen
juist koningen hun absolute macht vestigen. De Republiek kent een 'stadhouder', meestal een Prins van Oranje.
Van oorsprong treedt de stadhouder op als plaatsvervanger van de koning, maar in de Republiek is hij
in dienst van de regenten (bestuurders) van de verschillende steden, gewesten en de Staten-Generaal.
De stadhouder moet zijn macht met de regenten delen, wat regelmatig tot conflicten leidt.

Soms wordt het Huis van Oranje overal buiten gehouden, in de zogenoemde 'stadhouderloze tijdperken'.
Andere keren nemen de Oranjes het bestuur bijna helemaal over, zoals in 1672, wanneer aanhangers
van Oranje de machtige regent Johan de Witt en zijn broer Cornelis vermoorden.
Oranje zal Nederland regelmatig verbinden én verdelen - pas in de twintigste eeuw bereikt
deze familie een onaantastbare positie als symbool van nationale eenheid.

 

Tijd van pruiken en revoluties

1700-1800

In de Republiek groeit in de 18de eeuw de gedachte dat het niet langer goed gaat met het land,
al is het maar omdat andere landen economisch harder groeien. Vooral de overwinning van een Engelse vloot
op de Nederlandse, in 1780, wordt gezien als bewijs dat het land in verval is.

Een nieuwe stroming komt op, die van de 'patriotten'. Zij wensen dat alle burgers terugkeren naar de
traditionele liefde voor het vaderland. Daarbij verenigen zij twee politieke opvattingen.
Ten eerste pleiten ze voor herstel van oude burgerrechten, die zouden zijn aangetast door de stadhouder
en diens partijgangers. Ten tweede pleiten ze voor nieuwe, 'democratische' rechten, met grotere
zeggenschap voor grote delen van de bevolking.
Dit zijn opvattingen die dan ook in Frankrijk en de Verenigde Staten klinken.

De nieuwe opvattingen leiden tot een reeks conflicten tussen de patriotten en de prinsgezinden.
Beide partijen vinden steun bij andere landen. Pruisen en Engeland steunen Oranje.
Frankrijk, waar na de Franse Revolutie in 1789 een revolutionair bewind heerst, steunt de patriotten.

In 1795 wordt Nederland door Franse legers 'bevrijd'. Revolutionaire patriotten, de 'democraten',
plegen in 1798 een echte staatsgreep. Zij kondigen een grondwet af - de eerste moderne constitutie
in de Nederlandse geschiedenis. Het land is voortaan 'een en ondeelbaar'.
Niet langer is de Republiek een unie van verschillende zelfstandige gewesten.
Er komt een scherpe scheiding tussen de staat en de kerk, waarmee de Gereformeerde Kerk
haar bevoorrechte positie verliest. Iedereen is in principe te benoemen in elke politieke functie.
Alle Nederlanders, onder wie voor het eerst ook joden, krijgen burgerrechten,
wat opheffing van standsverschillen betekent.
Soms moet een land een stevig handje worden geholpen om verder te kunnen.

Tijd van burgers en stoommachines

1800-1900

De democratische grondwet stelt in de praktijk aanvankelijk nog weinig voor. Nederland komt in een maalstroom terecht van
grote militaire expansie van Napoleon. De Fransen laten zich steeds meer gelden in Nederland.
In 1810 volgt volledige inlijving bij Frankrijk

Nederland heeft veel te danken aan de Franse tijd. Er komt een burgerlijke stand en een kadaster. Maten en gewichten zijn voortaan overal hetzelfde.
Rusland, Oostenrijk en Engeland verslaan Napoleon in 1813.
Nederland krijgt zijn onafhankelijkheid terug, zo beslissen de Europese machthebbers op het Congres van Wenen.
De zoon van de laatste Oranje-stadhouder keert uit ballingschap terug.
Wanneer vervolgens Napoleon nog één keer weet op te rukken, worden Nederland en België verenigd
in een Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I.
Zijn zoon neemt deel aan de slag bij Waterloo (1815), waar Napoleon definitief ten val komt.
De prins raakt hierbij gewond en groeit dus uit tot held.

Het verenigd koninkrijk blijkt geen succes. In 1830 komen katholieken en moderne liberalen in het zuiden in opstand
tegen de overheersende koning en het arrogante noorden. België verklaart zich onafhankelijk.
Nederland erkent deze afscheiding pas in 1839, waarmee de huidige grenzen van Nederland definitief vastliggen.
Aanvankelijk kost het grote moeite de economie van Nederland, die ernstig heeft geleden door alle oorlogen,
weer op gang te brengen. Nieuwe problemen lijken te ontstaan als in 1848 overal in Europa
grote revoluties uitbreken, als roep om meer politieke en sociale rechten (Frankrijk)
en nationale eenheid (Duitsland). Om te voorkomen dat Nederland opnieuw in dit soort onrust terechtkomt,
krijgt de liberale politicus J.R. Thorbecke van een bezorgde koning Willem II de opdracht een
moderne, 'democratische' grondwet op te stellen.
Deze legt de basis van het politieke stelsel dat in Nederland nog altijd bestaat:
een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De koning(in) opereert voortaan onder
verantwoordelijkheid van de ministers. De macht van het parlement neemt sterk toe.
Vooralsnog is het kiesrecht echter zeer beperkt: 2,5 procent van de bevolking mag meedoen aan verkiezingen.

Geleidelijk verwerven de liberalen een groter overwicht in het parlement. Allerlei handelsbeperkingen weten zij
op te ruimen. De industrie streeft langzaamaan de handel en de landbouw in belang voorbij.
Fabrieken verrijzen alom. Stoommachines nemen daarin een steeds belangrijker plaats in.
Kanalen, spoorlijnen en telegraafkabels spannen een netwerk door het land. De economie groeit gestaag, de welvaart neemt weer toe.

In de tweede helft van de negentiende eeuw houden drie 'kwesties' het land verdeeld. Om te beginnen is
dat de schoolstrijd. Orthodoxe protestanten (en katholieken) willen dat hun kinderen op een school
'met den Bijbel' worden opgevoed. Liberalen zijn hiertegen, omdat het volk dan verdeeld zou raken
in rivaliserende groepen gelovigen. De strijd spitst zich toe op de vraag of de Staat subsidie
moet geven aan christelijke scholen die gelovigen zelf mogen oprichten.
Om dit af te dwingen, ontstaat de eerste politieke partij, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, 1878),
opgericht door Abraham Kuyper. Andere groepen gaan nu ook politieke partijen oprichten om hun doelen te bereiken.

Dan is er de kiesrechtkwestie. Steeds luider klinkt de roep om uitbreiding van het kiesrecht,
wat meer mensen een stem in de politiek moet geven. De meeste liberale politici zijn daar niet voor,
omdat zij armen en lager opgeleiden niet erg capabel vinden om invloed uit te oefenen op de
ingewikkelde politieke besluitvorming. Desondanks wordt, naarmate het opleidingspeil van de bevolking stijgt,
het kiesrecht mondjesmaat uitgebreid.

Tot slot is er de sociale kwestie. Het schamele lot van arbeiders vraagt dringend om verbetering.
Uitbuiting moet worden voorkomen en bestreden, onder meer door een verbod op kinderarbeid (1874),
een Arbeidswet (1889) en invoering van de leerplicht (1900).
Een menswaardiger volkshuisvesting vergt subsidies van de overheid. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij
(SDAP) onder leiding van P.J. Troelstra zal zich vanaf 1894 sterk maken voor de arbeidende klasse.

De Nederlandse buitenlandse politiek is neutraal. Het land kiest zorgvuldig geen partij in de vele
conflicten binnen Europa.

In de tropische gebieden worden de koloniën intussen fors uitgebreid. In Oost-Indië, het huidige Indonesië,
komt een steeds groter gebied direct onder Nederlands bewind te staan.
Het levert een krachtige bijdrage aan de Nederlandse economie, waaruit grote multinationals
als Shell en Unilever voortkomen. Dit alles gaat gepaard met grootschalige repressie tegen
de 'inlandse' bevolking. Met name op Atjeh (West-Sumatra) brengen de Nederlanders duizenden mensen om het leven.
In West-Indië, het huidige Suriname en de Antillen, wordt in 1863 na lange aarzeling de slavernij afgeschaft.

Tijd van wereldoorlogen

1900-1950

Nederland weet in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) neutraal te blijven. In deze moeilijke jaren komt een einde
aan de drie slepende kwesties. Bij de Pacificatie van 1917 wordt geruild. Protestanten en katholieken bereiken
dat hun 'confessionele' scholen net zoveel subsidie krijgen als openbare scholen.
Liberalen en socialisten halen het algemeen kiesrecht binnen. Aanvankelijk gaat het alleen om kiesrecht
voor mannen, maar vanaf 1919 geldt het ook voor vrouwen.

De nieuwe democratie stelt veel mensen al snel teleur. Dit komt vooral in de jaren dertig tot uiting,
als blijkt dat ook een democratisch parlement geen oplossing weet te bieden voor de grote economische crisis,
die zeer velen langdurig werkloos maakt. Daardoor komen er nieuwe groepen op, zoals de NSB
(Nationaal Socialistische Beweging) onder leiding van Anton Mussert, die zich laat inspireren
door het Italiaanse fascisme en Duitse nationaal-socialisme.

Nederland blijkt, ondanks een volgehouden neutraliteit, niet buiten de Tweede Wereldoorlog te blijven.
In mei 1940 trekken Duitse troepen binnen. Koningshuis en regering vluchten naar Londen.
Het is een ellendige periode van onderdrukking, roof en moord. Vooral het systematisch wegvoeren
en vermoorden van joodse Nederlanders is een trauma gebleven.
Anne Frank, die tot haar deportatie een dagboek heeft bijgehouden, is uitgegroeid tot symbool van de Bezetting.

In september 1944 wordt het zuiden van het land bevrijd door geallieerde troepen.
Na een hongerwinter in het noorden volgt de bevrijding van de rest van het land in 1945.

Intussen hebben Japanse troepen Nederlands Indië veroverd en bezet (1942-1945).
Na de verdrijving van Japan, door Engelse en Amerikaanse troepen, blijkt hier inmiddels een sterk streven naar
onafhankelijkheid te zijn opgekomen. In 1945 roepen nationalisten de Republiek Indonesië uit.
Nederland wenst hieraan aanvankelijk niet toe te geven, maar na twee politionele acties en een klassieke
guerrillaoorlog volgt in 1949, onder sterke druk van de VS, erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië.
Amerikaanse druk is ook nodig om in 1962 het laatste stukje Indonesië, Nieuw-Guinea, af te staan.

Suriname en de Antillen blijven onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, maar krijgen in 1954 een zekere
zelfstandigheid. In de jaren zeventig groeit de overtuiging dat deze gebieden onafhankelijk moeten worden.
Suriname wordt dat in 1975. De Antillen blijven binnen het Koninkrijk.
Over hun positie wordt nog steeds gesteggeld en druk vergaderd.

De toekomst van Nederland ligt in een voortgezet bondgenootschap met de voormalige partners uit de
Tweede Wereldoorlog.
De veiligheid wordt verzekerd door militaire samenwerking van enkele Europese landen met de Verenigde Staten,
waarvoor in 1949 de NAVO wordt opgericht. Nauwe economische samenwerking begint met een EGKS
(Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) in 1952. Het moet de verhoudingen in Europa verbeteren,
na een halve eeuw van verwoestende wereldoorlogen.
Een volgende stap wordt gezet in 1957 met de oprichting van de EEG (Europese Economische Gemeenschap),
vastgelegd in het Verdrag van Rome.

Tijd van televisie en computer

1950-2000

De Nederlandse samenleving is verzuild in de jaren vijftig. Vier verschillende levensovertuigingen maken de dienst uit:
katholieken, gereformeerden, liberalen en sociaal-democraten. De zuilen vormen vlechtwerken van organisaties die het hele
leven van de eigen groep willen omspannen - van de zuigelingenzorg, via de scholen, vakbonden en omroepen tot en met begrafenisfondsen.
Verzuiling kan de tegenstellingen binnen een samenleving, aanwakkeren, terwijl het na de Tweede Wereldoorlog
juist dringend nodig is samen te werken aan de wederopbouw van het land.
Dit lukt dankzij nauwe samenwerking tussen de elites van de verschillende zuilen. Zo komt een succesvolle
economische en sociale modernisering van Nederland tot stand, waarin premier Willem Drees (PvdA) een belangrijke rol speelt.

Aan de stabiliteit van de jaren vijftig komt vanaf de jaren zestig een einde. De zuilen vallen uit elkaar door
een soort betonrot: steeds meer mensen nemen de vrijheid er eigen overtuigingen op na te houden
('individualisering'). Snelle ontkerkelijking volgt. Introductie van 'de pil' leidt tot grotere vrijheid
in de relatie tussen vrouwen en mannen. De elite, uitgedaagd door een nieuwe opstandigheid van de jeugdcultuur,
verliest aan gezag. De razendsnel opkomende televisie maakt zichtbaar dat conflicten ('polarisatie')
het moderne leven tekenen, in plaats van samenwerking ('consensus').

Deze ontzuiling verandert ook het politieke leven, waarbij politieke partijen niet langer kunnen rekenen
op een stabiele achterban, maar op jacht moeten naar steeds wispelturiger kiezers.
De nieuwe vrijheid in het persoonlijk leven is mogelijk door een sterke uitbreiding van de verzorgingsstaat.
Allerlei sociale wetten (Bijstand, WAO, enz.) bieden een grotere bestaanszekerheid.
Dit vergt echter veel geld, terwijl de economie tegelijk ingrijpend verandert.
Er komen steeds minder boeren en ook de werkgelegenheid in de 'oude'industrie (waaronder scheepsbouw
en textiel) krimpt snel door zware internationale concurrentie. Nederland moet omschakelen naar een nieuwe
economie, met een groter gewicht voor moderne dienstverlening en technologie.
Door deze omschakeling groeit het aantal werklozen en arbeidsongeschikten.

Hoe afhankelijk het land is van de internationale economie blijkt vooral in 1973, als Nederland in een
oliecrisis even geen olie meer krijgt van Arabische landen. Pogingen stevig te bezuinigen op de uitgaven
van de overheid willen niet erg lukken. Het benodigde geld komt deels uit de opbrengst van aardgas,
maar de overheid moet ook veel geld lenen, wat tot een geweldige staatsschuld leidt.

In 1982 wordt een Akkoord van Wassenaar gesloten - een nieuwe Pacificatie, deze keer tussen de werkgevers
en de werknemers. Zij vinden elkaar in de opvatting dat de loonkosten fors naar beneden moeten om
bedrijven weer internationaal concurrerend te maken. Werkgevers maken deeltijdwerk mogelijk, in ruil waarvoor
werknemers genoegen nemen met zeer matige loonstijging. Sommigen noemen dit akkoord het begin van het poldermodel,
terwijl anderen het mooier vinden dit te zien als uitvloeisel van een eeuwenoude traditie van 'typisch Nederlands' overleg.

Hoe dat ook zij, na verloop van tijd begint de economie weer te groeien. Onder het motto 'werk, werk, werk'
stimuleert de overheid dat zoveel mogelijk mensen een baan hebben. Het aantal deeltijdbanen groeit snel,
vooral voor vrouwen. De economie moderniseert in hoog tempo, mede dankzij de communicatierevolutie:
iedereen gaat op internet en begint elkaar mobiel te bellen, wat onder meer leidt tot zoveel pratende mensen in de trein en op straat.
Nederland raakt steeds meer vergroeid met Europa. Dit blijkt niet alleen uit de nadruk op betere verbindingen
(uitbreiding Schiphol, aanleg Betuwelijn en hogesnelheidslijn). Het symbool bij uitstek van deze nieuwe
verwevenheid is de afschaffing van de nationale munt, de gulden, en de invoering van de euro per 1 januari 2002.
Ondanks de werkloosheid in de jaren zestig en zeventig zijn voor het ongeschoolde, vaak vuile werk onvoldoende
arbeiders te vinden. Grote bedrijven beginnen werknemers te halen uit landen rondom de Middellandse Zee,
vooral uit Turkije en Marokko. Dit is het begin van een grootscheepse immigratie.
In het midden van de jaren zeventig komen ook grote aantallen inwoners van Suriname naar Nederland,
die geen vertrouwen hebben in de toekomst van hun onafhankelijke land. Ook van elders komen mensen
naar het 'vrije', rijke Westen. In betrekkelijk korte tijd veranderen aard en kleur van de samenleving.
Vooral in de Randstad ontstaat een multiculturele samenleving.

In tal van landen rijst protest tegen deze immigratie. Ook in Nederland valt dit geluid te horen, dat kort
na het jaar 2000 steeds luider klinkt. Het vormt de achtergrond van brede steun voor een buitenstaander in de politiek,
Pim Fortuyn, die in 2002 grote aanhang verwerft, maar vlak voor de verkiezingen wordt vermoord.
Na de moord op de gebroeders De Witt in 1672 is dit de eerste politieke moord in de Nederlandse geschiedenis.
De verhoudingen in Nederland worden harder in de eerste jaren van 21ste eeuw.
Voor de toelating van 'vreemdelingen' gelden nieuwe, strengere regels.
De druk op aanwezige migranten neemt toe om 'in te burgeren'. Verschillende terroristische aanslagen in
de wereld, waaronder die in New York en Washington (11 september 2001), leiden ook in Nederland tot spanningen met de moslimgemeenschap.

Nederland en 'Europa' zijn economisch gezien een vrij groot succes.
Maar deze samenwerking gaat nauwelijks gepaard met een gemeenschappelijke buitenlandse politiek.
Bovendien is Nederland, vooral na het einde van de Koude Oorlog in 1989, beducht voor een kloof tussen
Europa en de Verenigde Staten. Bij elkaar leidt dit tot een zeer ingewikkelde situatie.
Aan burgeroorlogen in voormalig Joegoslavië moeten de Verenigde Staten ten slotte een eind maken.
Buitengewoon pijnlijk is dat Nederland troepen levert voor een vredesmissie in Bosnië,
maar in 1995 niet weet te verhinderen dat Serviërs zevenduizend moslimmannen uit Srebrenica vermoorden.
De Amerikaanse strijd in Irak, vanaf 2003, verdeelt Europa sterk. Engeland en Nederland steunen de aanval,
Frankrijk en Duitsland verklaren zich ertegen.

Het is tekenend voor Nederland én Europa dat de verschillende landen worstelen met de vraag hoeveel
onafhankelijkheid zij willen behouden en hoeveel zijn wensen op te geven.
Hoe dit ook verdergaat, een historische parallel valt wel te trekken: zoals de Lage Landen ooit een gemeenschap
vormden binnen het grote keizerrijk van Karel V, zo ontwikkelt Nederland zich nu steeds verder tot een welvarend
maar klein gewest binnen een steeds grotere Europese Unie.


De rest is toekomst !

Aan deze proeve van een canon zouden we een motto willen meegeven dat aan Willem van Oranje is toegeschreven:
'Hoop is niet vereist om ergens aan te beginnen, succes niet nodig om te volharden.'


Jan Bank en Piet de Rooy



Wij danken Hans en Ans Bühler voor deze bijdrage.