Op 19
maart is Hugo Maurice Julien Claus gestoven in het
Antwerpse Middelheim ziekenhuis. Hij leed aan de ziekte van Alzheimer
en koos
zelf het tijdstip van zijn overlijden. Claus liet een omvangrijk oevre
na dat
bestond uit romans, gedichten, toneel, verhalen en schilderijen,
bovendien was
hij dramaturg, vertaler, toneel- en filmregisseur. De bedreiging en het
verlies
van de onschuld, van de jeugd vormde steeds het centrale thema in zijn
werk.
Veel van zijn literaire uitingen zijn gebaseerd op de Griekse
klassieken. Claus
was een controversieel mens, erudiet en grofbesnaard tegelijkertijd,
niet vies
van een schandaal en toch ijdel waar het zijn literaire kwaliteiten
betrof,
virtuoos maar ook gemakzuchtig, humoristisch en intelligent, een
wispelturige
kameleon en een vat vol tegenstellingen. Dat maakte hem en zijn werk
juist zo
spannend. Dat werk werd bekroond met vele literaire prijzen, hij werd
dikwijls
genoemd maar nooit geroemd als kandidaat voor de Nobel-prijs. In een
interview
zij Claus ooit: “Schrijven is een soort conversatie tussen
jezelf en iemand die
je niet bent maar die je wel wilt zijn. Als je dat maar lang genoeg
volhoudt,
ben je hem op een dag.”
Al
op de middelbare school ging mijn voorkeur uit
naar zijn vroege werken ‘Suiker’
en ‘De Metsiers’ boven het
‘Ik
Jan Cremer’ van mijn klasgenoten. Erotiek kwam bij
beide auteurs in ruime
mate voor, maar Hugo kon er mooier over schrijven vond ik.
Jaren
later, toen wij in Zeeuws Vlaanderen woonden,
was België dè plek voor cultuur. Brugge, Gent en
Antwerpen voorzagen in een
groot aanbod dat zijn invloed over de grens deed gelden en waren
vlakbij. De toenmalige
schouwburg-directeur van Terneuzen, later directeur van het fonds voor
de
podiumkunsten, organiseerde een Vlaamse 10-daagse met optredens van een
keur
aan Vlaamse artiesten en werken waaronder een drie-acter van Hugo Claus
‘Pas
de deux’. Nog
kan ik het hele
indringende verloop navertellen. In een tot theatertje omgebouwd
textielatelier
in Brugge zag ik zijn ‘Oedipus in Kolonos’,
de stille dreiging van de
blinde Oedipus geeft me nog kippenvel.
In
datzelfde Brugge organiseerde men literaire cursussen.
Mijn vriendin en ik waren de enige ‘Hollandsen’ in
dat gezelschap. De groep las
een roman, besprak die onder leiding van een filoloog, zoals een
neerlandicus
in België wordt genoemd en aansluitend kwam de auteur opdraven
voor een
toelichting en een gesprek. Daar lazen wij ‘Het verdriet van
België’, Claus’
magnum opus. De publiciteit
Helaas. Maar het
werd een avond om nooit meer te vergeten. Claus was in zijn element,
geestig,
spitsvondig, adrem en vooral overtuigend diende hij de pedante
ondervrager van
repliek. Mijn bewondering voor deze taal virtuoos groeide per minuut.
Heel
soepel onderging hij de vragen uit de zaal en keer op keer kreeg hij de
lachers
op zijn hand, vooral omdat hij ons wel, maar de filoloog niet serieus
nam. Hij
citeerde uit zijn hoofd, parafraseerde zijn eigen gedichten en was een
en al
charme. Na thuiskomst werd ik dagenlang geplaagd met mijn eigen vorm
van
‘Claus-trofobie.’ Dat was in 1985.
In
de negentiger jaren werkte ik bij de omroep en de
krant en trad daarnaast freelance op als interviewer voor de lokale
literaire
kring in Terneuzen. Bij gelegen-heid van het 10-jarig bestaan van die
club werd
Hugo Claus uitgenodigd. Hij gaf aan geen interviewer te willen en zelf
de avond
aaneen te gaan praten, jammer, die klus had ik graag gedaan. Echter,
geheel in
overeenstemming met zijn wispelturige karakter, vroeg hij de
voorzitter, die
hem persoonlijk in Antwerpen ging ophalen, onderweg in de auto wie zijn
interviewer zou zijn. De voorzitter herinnerde Claus aan zijn eerdere
bewering
waarop Hugo doodleuk zei:”Dan doe jij toch het
interview.” Het werd een fiasco.
Ik zat met kromme tenen van ergernis naast de neerlandicus, die
afwisselend met
mij normaal gesproken de interviews verzorgde. Hugo had die avond
gewoon geen
zin in een serieus gesprek, hij ontweek alle vragen en nam de
voorzitter
volledig bij de neus. Die man was zo’n grote bewon-deraar dat
hij dat niet eens
in de gaten had totdat het rumoerig werd in de zaal.
Het
publiek morde en in de pauze kwam de het verzoek
aan de neerlandicus en/of mij om het over te nemen. De verleiding was
er even
om eindelijk heel dicht naast die aanbeden auteur te zitten en hem mijn
vragen
voor te leggen. Maar aangezien wij beiden normaal gesproken dergelijke
gesprekken intensief voorbereidden om niet onbeslagen ten ijs te komen
hebben
we op dat moment voor de eer bedankt zodat het Hugo-ego-theater zich
ook na de
pauze voortsleepte. Een gemiste kans en een wat bittere laatste
herinnering aan
een man die ik zovele jaren volgde.
Maar
dan hoef ik zijn boeken maar van de plank te
pakken en ik word weer gegrepen door zijn heel eigen taal, zijn
ongebruikelijke
metaforen, zijn karakters van vlees en bloed.
Trees
van Herpen