Hugo Claus 1929-2008

Mijn ontmoetingen met de grootste Belgische schrijver 

Op 19 maart is Hugo Maurice Julien Claus gestoven in het Antwerpse Middelheim ziekenhuis. Hij leed aan de ziekte van Alzheimer en koos zelf het tijdstip van zijn overlijden. Claus liet een omvangrijk oevre na dat bestond uit romans, gedichten, toneel, verhalen en schilderijen, bovendien was hij dramaturg, vertaler, toneel- en filmregisseur. De bedreiging en het verlies van de onschuld, van de jeugd vormde steeds het centrale thema in zijn werk. Veel van zijn literaire uitingen zijn gebaseerd op de Griekse klassieken. Claus was een controversieel mens, erudiet en grofbesnaard tegelijkertijd, niet vies van een schandaal en toch ijdel waar het zijn literaire kwaliteiten betrof, virtuoos maar ook gemakzuchtig, humoristisch en intelligent, een wispelturige kameleon en een vat vol tegenstellingen. Dat maakte hem en zijn werk juist zo spannend. Dat werk werd bekroond met vele literaire prijzen, hij werd dikwijls genoemd maar nooit geroemd als kandidaat voor de Nobel-prijs. In een interview zij Claus ooit: “Schrijven is een soort conversatie tussen jezelf en iemand die je niet bent maar die je wel wilt zijn. Als je dat maar lang genoeg volhoudt, ben je hem op een dag.”

 

Al op de middelbare school ging mijn voorkeur uit naar zijn vroege werken ‘Suiker’ en ‘De Metsiers’ boven het ‘Ik Jan Cremer’ van mijn klasgenoten. Erotiek kwam bij beide auteurs in ruime mate voor, maar Hugo kon er mooier over schrijven vond ik.

Jaren later, toen wij in Zeeuws Vlaanderen woonden, was België dè plek voor cultuur. Brugge, Gent en Antwerpen voorzagen in een groot aanbod dat zijn invloed over de grens deed gelden en waren vlakbij. De toenmalige schouwburg-directeur van Terneuzen, later directeur van het fonds voor de podiumkunsten, organiseerde een Vlaamse 10-daagse met optredens van een keur aan Vlaamse artiesten en werken waaronder een drie-acter van Hugo Claus ‘Pas de deux’. Nog  kan ik het hele indringende verloop navertellen. In een tot theatertje omgebouwd textielatelier in Brugge zag ik zijn ‘Oedipus in Kolonos’, de stille dreiging van de blinde Oedipus geeft me nog kippenvel. 

In datzelfde Brugge organiseerde men literaire cursussen. Mijn vriendin en ik waren de enige ‘Hollandsen’ in dat gezelschap. De groep las een roman, besprak die onder leiding van een filoloog, zoals een neerlandicus in België wordt genoemd en aansluitend kwam de auteur opdraven voor een toelichting en een gesprek. Daar lazen wij ‘Het verdriet van België’, Claus’ magnum opus. De publiciteit rondom het optreden van de grote man resulteerde in een enorme aanvraag, zodathet gesprek met de cursisten en andere belangstellenden in de grootste zaal van de stad plaatsvond.

Helaas. Maar het werd een avond om nooit meer te vergeten. Claus was in zijn element, geestig, spitsvondig, adrem en vooral overtuigend diende hij de pedante ondervrager van repliek. Mijn bewondering voor deze taal virtuoos groeide per minuut. Heel soepel onderging hij de vragen uit de zaal en keer op keer kreeg hij de lachers op zijn hand, vooral omdat hij ons wel, maar de filoloog niet serieus nam. Hij citeerde uit zijn hoofd, parafraseerde zijn eigen gedichten en was een en al charme. Na thuiskomst werd ik dagenlang geplaagd met mijn eigen vorm van ‘Claus-trofobie.’ Dat was in 1985.

In de negentiger jaren werkte ik bij de omroep en de krant en trad daarnaast freelance op als interviewer voor de lokale literaire kring in Terneuzen. Bij gelegen-heid van het 10-jarig bestaan van die club werd Hugo Claus uitgenodigd. Hij gaf aan geen interviewer te willen en zelf de avond aaneen te gaan praten, jammer, die klus had ik graag gedaan. Echter, geheel in overeenstemming met zijn wispelturige karakter, vroeg hij de voorzitter, die hem persoonlijk in Antwerpen ging ophalen, onderweg in de auto wie zijn interviewer zou zijn. De voorzitter herinnerde Claus aan zijn eerdere bewering waarop Hugo doodleuk zei:”Dan doe jij toch het interview.” Het werd een fiasco. Ik zat met kromme tenen van ergernis naast de neerlandicus, die afwisselend met mij normaal gesproken de interviews verzorgde. Hugo had die avond gewoon geen zin in een serieus gesprek, hij ontweek alle vragen en nam de voorzitter volledig bij de neus. Die man was zo’n grote bewon-deraar dat hij dat niet eens in de gaten had totdat het rumoerig werd in de zaal.

Het publiek morde en in de pauze kwam de het verzoek aan de neerlandicus en/of mij om het over te nemen. De verleiding was er even om eindelijk heel dicht naast die aanbeden auteur te zitten en hem mijn vragen voor te leggen. Maar aangezien wij beiden normaal gesproken dergelijke gesprekken intensief voorbereidden om niet onbeslagen ten ijs te komen hebben we op dat moment voor de eer bedankt zodat het Hugo-ego-theater zich ook na de pauze voortsleepte. Een gemiste kans en een wat bittere laatste herinnering aan een man die ik zovele jaren volgde.

Maar dan hoef ik zijn boeken maar van de plank te pakken en ik word weer gegrepen door zijn heel eigen taal, zijn ongebruikelijke metaforen, zijn karakters van vlees en bloed.                                                                               

Trees van Herpen

Terug naar de index